zaterdag 18 oktober 2008

Proefwerkvraag: Over de waarde van kennis (gereedschapskist v. filosofie)

Dan nu vraag 2. Ik lees voor:

2.
a. In bron 2 hanteert een Harvardprofessor een normatieve opvatting over het nut van kennis.
- Leg aan de hand van bron 2 uit wat deze normatieve opvatting van de professor inhoudt.
- Leg vervolgens aan de hand van bron 2 uit hoe de professor vanuit zijn normatieve opvatting McCain en Palin bekritiseert.

Daar wordt nogal wat gevraagd inderdaad. Maar als je stap voor stap te werk gaat dan komt het goed. Je begint allereerst met het omschrijven van wat een normatieve opvatting is. Daar hebben we het in de les uitgebreid over gehad. We stelden vast dat normatief verschilt van descriptief. In hoeverre dat verschil echt bestaat, dat viel, zoals we zagen, lastig te bepalen. Een descriptieve beschrijving registreert louter dat wat er zichtbaar is. In een descriptieve beschouwing onthoud je je van elk waardeoordeel, of anders gezegd: elke vorm van normativiteit. Je zou dat objectief kunnen noemen, maar je kunt je afvragen of we een dergelijke descriptieve beschrijving wel op een zinvolle manier de werkelijkheid ter sprake kunnen brengen. Denk aan het voorbeeld van het beschrijven van een voetbalwedstrijd. Als we zonder enige norm, zonder enig besef van wat goed en slecht is in het voetbalspel, registreren wat we zien, dan kunnen we louter beschrijven dat er mensen in verschillende tenues rondlopen die tegen een bal aanschoppen. Hoe zouden we zonder enige vorm van een norm een pass kunnen beoordelen op goed of slecht, hoe zouden we zonder norm de beslissingen van de scheidsrechter kunnen bekritiseren, hoe zouden we meer in het algemeen ook maar iets kunnen begrijpen van hetgeen op het veld gebeurt als we geen norm hebben? Zo kwamen we tot de voorzichtige suggestie dat misschien elke poging tot beschrijving al een waardeoordeel in zich heeft, dat we zien wat we zien altijd bepaald is vanuit een bepaalde norm van wat mooi, goed of waar is.

Ik dwaal af. Waar het om gaat is dat een normatieve opvatting een bepaalde norm/waardeoordeel bevat aan de hand waarvan je iets beoordeelt. In dit geval is dat de norm voor goede en slechte kennis. Kijken we nu naar de bron. Daarin lezen we:

'Ms Palin en senator John McCain wekken telkens de impressie dat kennis van zaken overgewaardeerd wordt, dat volks oprechtheid beter is dan verfijnde manieren, dat het hebben van een sterke overtuiging belangrijker is dan analyseren. In hun visie betekent dit dat het kunnen zien van Rusland vanuit Alaska je begrip geeft van internationale politiek, dat als je in een staat in de buurt van de Noordpool leeft je ook meteen verstand hebt van het klimaatprobleem. In het geval van McCain: deze schreef kortgeleden dat hij het technologiebeleid begrijpt, omdat hij tijdens de Vietnamoorlog een paar vliegtuigen heeft bestuurd'. bron: NY Times.

Misschien eerst even iets over de stijl van de professor. Misschien is dit ietwat over the top. Alhoewel de voorbeelden kloppen (McCain en Palin hebben dit daadwerkelijk gezegd) leidt de opeenstapeling van deze voorbeelden tot een dermate ridicuul resultaat, dat het onwerkelijk overkomt. Zo schiet de professor wellicht zijn doel voorbij. Het is nu makkelijk om de professor van overdrijving en spot te beschuldigen om zo Palin en McCain als overwinnaars uit de strijd te laten komen.
Dat zou jammer zijn temeer omdat de professor een heel belangrijk thema aansnijdt, namelijk het nut van kennis en iets dieperliggend: de vraag naar wat kennis inhoudt.
De normatieve opvatting van de professor over wat als nuttige kennis mag doorgaan ligt besloten in de tegenstelling tussen enerzijds volkse oprechtheid, een sterke overtuiging en persoonlijke ervaringen tegenover verfijnde analyse en een brede oriƫntatie die het direct persoonlijke overstijgt. Abstracter geformuleerd: hier is sprake van de tegenstelling tussen het simpele, directe, persoonlijke en eenvoudige en het complexe, het vergelijkende, de afweging, de rationele analyse van vele standpunten, de twijfel. Weer anders geformuleerd: hier staat de onberedeneerde mening tegenover rationele wetenschap.
In onze epoche van de democratie wordt aan beide vormen van kennis evenveel belang geacht, immers: elke stem telt. Willekeurig welke mening van de man van het volk die zijn persoonlijke anekdotiek tot universeel toepasbare waarheden promoveert, wordt daarmee relevant. Sterker nog, de willekeur van de persoonlijke mening wordt uitgangspunt van het imago van volkse oprechtheid dat Palin en McCain zich aanmeten. Vooral Palin speelt deze act met verve. Haar platte accent benadrukt dit simpele, directe en volkse. Toen Palin in het debat met Biden gevraagd werd naar haar opvatting over de kredietcrisis gaf ze geen analyse maar vertelde ze over de mening van Joe de Loodgieter die hij aan de rand van het voetbalveld waar de volkse Palin haar voetballende zoon gadesloeg, ten beste had gegeven. 'Ik maak me zorgen over mijn huis en baan', zei Joe en in die volkse simpelheid en niet in de analyse van de specialisten lag volgens Palin de kern van de kredietcrisis. De porfessor geeft aan dat McCain dezelfde logica het besturen van een vliegtuig (persoonlijke praktijkervaring) gelijkstelt aan kennis van technologie in het algemeen.
Zie hier precies de reden waarom Plato democratie een stupide idee vond. Wat telt volgens Plato is niet de hoeveelheid meningen maar de rationele waarde van een standpunt. Plato ergerde zich groen en geel aan de schoenenmakers die als halve zolen alle rationaliteit aan hun laars lapten en met populistisch gebral de massa achter zich wisten te krijgen.
De kritiek van Plato behelst precies de normatieve opvatting van de professor. Jammergenoeg is zijn norm niet de algemene norm. Al sinds jaar en dag weten presidentskandidaten dat ze niet te intellectueel moeten overkomen. Kennis van zaken is dodelijk. Bush en Reagan hebben dat goed begrepen (als ze het al begrepen). De nederlaag van Al Gore wordt doorgaans toegeschreven aan zijn intellectuele aanpak. Kennis van zaken is in de wondere wereld van Palin en McCain daarmee eerder een handicap dan een verdienste. Of preciezer geformuleerd: kennis van zaken heeft bij hen een ander karakter. Om terug te keren naar het voetbalspel: er zijn mensen, ja, heel veel mensen, die denken dat als ze iets van voetbal weten deze kennis over voetbal een algemene geldigheid bezit die overal op toepasbaar is.

Geen opmerkingen: