maandag 27 juli 2009

De wereld: een boekhoudkundig systeem

In de roman Huguenau of de zakelijkheid van Herman Broch wordt het wereldbeeld van August Esch verklaard aan de hand van zijn werk als boekhouder. 'Een boekhouder, en zeker een hoofdboekhouder, is een mens die binnen eigen en buitengewoon precieze ordeningen leeft, ordeningen die zo precies zijn, dat geen enkele andere activiteit ze hem ooit zo zal kunnen bieden. Gesteund en bevestigd door zulke ordeningen is hij gewend in een machtige en toch deemoedige wereld te leven, waarin ieder ding zijn plaats heeft, waarin hij zichzelf steeds terugvindt en zijn blik onverstoorbaar en trefzeker blijft.' De roman biedt bij uitstek de mogelijkheid deze subjectivering van de werkelijkheid uit te werken. Dat de wereld zich tot een boekhoudkundig systeem laat reduceren, met die gedachte kunnen we luchtig spelen doordat het in de taal van de fictie tot ons komt. Het romanpersonage wordt door de fusie van zijn denken met het debet en credit van zijn grootboek tot een karikatuur. Als de balans niet klopt dan zit de wereld fout, niet de boekhouder. Maar ook de boekhouder weet ergens dat 'in het leven nooit die orde bereikt kan worden die hij in zijn boeken handhaaft', maar toch geniet hij, al bladerend door de in kolommen geordende feiten die steeds in balans zijn, dat het 'wonder van de rekensom, als een onwrikbare rots in de wereld van het onbepaalde, nog steeds bestaat'.
De wereld wordt meer en meer als een boekhoudkundig systeem gezien. De rekensom is geen wonder meer, maar feit. Mensen, dingen en natuur krijgen hun precieze plek toebedeeld in de credit en debetkolommen van het grootboek. Alles is berekenbaar en alles kan een cijfer worden toegekend. Wanneer dat expliciet wordt uitgesproken, dan volgt er verontwaardiging. De PVV wil van de rekenkamers in Nederland - ook al bezig met het objectief berekenen van geluk opdat geluk tot politiek beleidsinstrument kan worden - een precieze kosten en batenanalyse van allochtonen. Even losgekoppeld van de politieke agenda die een dergelijke kosten en batenanalyse ongetwijfeld dient, zien we hier de wereld verschijnen als een boekhoudkundig systeem. Iemands waarde kan berekend worden in een verlies en winstrekening. Die calculus is niet nieuw. We hoeven maar naar een Egyptisch dodenboek te kijken om te zien dat de ziel van de mens die de eeuwigheid wil betreden op een weegschaal gewogen wordt. Elke daad heeft zijn gewicht. De zondenleer in het katholicisme concretiseert zich tot een calculus van zonde en vergeving, waarop een financieel systeem van giften, aflaten en het branden van kaarsjes van 50 cent per stuk is gebouwd. De morele calcalus is in onze epoche een economische som, die de religieuze mathematica van de ziel gesculariseerd heeft. Dat toont zich bij het afsluiten van een verzekering, het kopen van een huis, het afsluiten van een lening. Het gebeurd in het bereken van de kostprijs van een produkt. Bedrijven berekenen op de seconde precies wat een lopende band werken moet produceren en wat hij daarvoor terugkrijgt. De boekhouder zoekt precies uit waar op deze wereld de kosten en baten zo gunstig mogelijk uitvallen voor de producent. Alles is berekenbaar. De NRCV-directeur hoeft zijn salaris van 300.000 per jaar van publiek geld helemaal niet te verdedigen omdat 'de zwaarte van zijn functie evenredig is met de beloning'. We rekenen alles uit: de kosten per persoon voor onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, cultuur. Per persoon is er een kosten en batenanalyse mogelijk en het gelof daarin toont zich in de woede over de verdeling van het belastinggeld. We worden tekortgedaan. We stoppen e meer in dan we ervoor terugkrijgen. Grote groepen mensen leven op kosten van andere mensen. De woede laat zich herformuleren als een hardhandig herschikken van de debit en creditkolommen eens op orde te brengen. Dit is geen specifiek rechts denkbeeld. Ook ter linker zijde is de term uitbuiting alleen mogelijk op basis van de aanname dat in de kosten en batenanalyse door de accountant gesjoemeld wordt. De meerwaardetheorie van Marx is gebaseerd op de idee dat er een oneigenlijke verdeling van de welvaart plaatsvindt. Al die Chineesjes die voor een dollar per dag dure spullen maken, krijgen in het grote kasboek niet de plaats toebedeeld die ze verdienen. De geest van berekening, en dat is belangrijk om te onderstrepen, houdt zich niet bezig met ongrijpbare grootheden als menselijke waardigheid. Alleen dat wat in cijfers uitgedrukt kan worden telt. Dat verklaart de oproep van de PVV. De burger komt alleen in beweging als feitelijk kan worden aangetoond dat zijn belastinggeld door profiteurs gestolen wordt. De enige verdediging tegen verbanning uit dit boekhoudkundig systeem is economisch waardevol te zijn. Deze situatie is overigens al de norm. In Dubai wordt je uit de stad verbannen als he geen werk meer hebt. Het Nederlandse immigratiebeleid, zo adviseerde een specialist, zal arbeidskracht moeten aantrekken, op voorwaarde dat vrouwen en kinderen niet meer komen en met een oprotpremie na vier jaar. Het is in deze epoche niet meer verhelderend deze economische calculus te vergelijken met Auschwitz, omdat het verboden is te wijzen op het gevaar van fascistische mechanismes die kunnen terugkeren, terwijl het toegestaan is de holocaust te ontkennen. Maar het moet gezegd dat de enige waarde die nog aan Joden werd toegekend was of ze nog konden werken. Primo Levi overleefde Auschwitz omdat hij als chemicus van dienst kon zijn in het produceren van rubber banden. In 'Is dit een mens', hield Primo Levi ons voor dat reduceren van mensen tot louter arbeidskracht het einde van de mens betekent. Het nazisme staat niet alleen in deze economische calculus, maar is een doorvoering van dit principe in extremis. In de economisch calcalus van Ricardo, Malthus en Smith zien we reeds deze economische reductie van de mens. Ricardo sprak als woordvoerder van de objectieve wetten van het boekhoudkundige systeem dat de wereld is, dat de ijzeren wetten der natuur toestaan dat arbeiders precies zoveel verdienen als noodzakelijk is om zichzelf te kunnen reproduceren. Zelfs het krijgen van kinderen en belangrijker: het in leven kunnen houden van kinderen, is voor de natuur een boekhoudkundig systeem. Als de kosten hoger zijn dan de baten, dan zorgt de natuur voor dat het parasiterende sterft.
De wereld als een boekhoudkundig systeem is geen fictie, geen waandenkbeeld van een romanpersonage. Dat is waarom Herman Broch de boekhouder flink aanpakt, om ons te waarschuwen tegen de reductie van de mens tot een rekensom waarbij de economische ruilwaarde als maat van alle dingen geldt. De boekhouder, zo stelt Broch, 'deugt eigenlijk alleen voor het kleine alledaagse leven van een gepensioneerde die, afgeschermd tegen alles wat van buiten komt en tegen alle toevalligheden, zich beperkt tot het besproeien van zijn tuingazon en het verzorgen van vruchtbomen'. Maar wee als de boekhouder energiek en strijdlustig de wereld in trekt. Daar zullen ze in woede proberen alles gelijk te maken om het maar in hun grootboek te kunnen opnemen, maar ze zullen merken dat 'de grens tussen werkelijkheid en onwerkelijkheid nergens duidelijk herkenbaar is. Wie leeft in een wereld van gesloten verbindingen duldt niet dat er ergens een andere wereld zou bestaan waarvan de verbindingen voor hem onbegrijpelijk en ondoorzichtig zijn. Zijn leven wordt tot een afmattende strijd tegen een werkelijkheid die voor hem onwerkelijkheid is'. Die strijd heeft de boekhouder bijna gewonnen.

dinsdag 21 juli 2009

Het woedende wachten in de kassarij

'Wat een lekkere service hier bij de AH', bromde de man en hij keek me betekenisvol aan. De rij was inderdaad lang. 9 mensen. Om achter aan te sluiten moest je tussen de schappen plaatsnemen ter hoogte van de wc-rollen en afwasborstels. Die moeite nam ik niet. De klant is koning, dat realiseren ze zich bij AH maar al te goed. Elk moment kan er een nieuwe kassa open gaan. Ik gunde de klagende man derhalve geen instemmend knikje. Gewoon even geduld hebben. Wachten, daar moet je tegen kunnen. Elk moment is immers doortrokken van een wachten. We worden altijd al bevangen door een verlangen naar iets waar we nog niet zijn of als we futloos en depressief zijn en vastzitten, dan verlangen we naar een verlangen. Verlangen geeft namelijk richting aan onze beweging, zorgt ervoor dat we uberhaupt in beweging komen. Wachten als verwachting wordt als positief ervaren. Het maakt ons tot mensen. Goden verlangen niet omdat ze al volmaakt zijn, stelt Plato in het Symposium. De irritatie die tot uiting komt in het wachten in de kassarij is van een ander karakter dan het richtinggevende verlangen. Dat maakt de irritatie interessant. Irritatie is meer dan een willekeurige opwelling van ongemak. Irritatie hangt samen met woede, weerstand, een gevoel van onrecht. Irritatie in de kassarij wijst op een negatieve emotie. Het verschil met het positieve van de verwachting laat zich simpel begrijpen door erop te wijzen dat het verlangen concreet is: de kassa waar af te rekenen is, is zichtbaar. Het verlangen naar wijsheid, liefde en vriendschap is echter niet te koop. Juist omdat de schijn dat alles te koop is de hoofdboodschap vormt van de consumentenmaatschappij, worden mensen in de kassarij zo boos. Je hebt geld en je wilt de spullen die in je karretje liggen en dan laten ze je nog wachten ook. Zo ook is er weinig wat zoveel woede wekt als je iets koopt dat niet werkt. Dat soort klachten bindt ons. Wie klaagt over een niet werkende internetverbinding, een kapotte telefoon, een hotel dat minder bleek dan beloofd, kan op instemming rekenen. Wie begint over het ongestilde verlangen naar liefde en geluk; daar hebben we nog minder geduld voor dan het wachten in de rij voor de kassa.

zaterdag 18 juli 2009

Over publiek en privaat, de Balkenende norm en idealistische ondernemers

'Ik snap niet waar ze zo moeilijk over doen', was de reactie van Mart Smeets op de pogingen zijn bijklusinkomsten bij de VARA te achterhalen. Smeets had het niet over de moeite die de grootverdieners van de publieke omroep doen om te verzwijgen hoeveel ze verdienen noch over de onwil van omroepen de hoogte van de salarissen vrij te geven. Hij had het ongetwijfeld ook niet over de moeite die de grootverdieners doen via persoonlijke bv's de dreigende Balkenendenorm te omzeilen. Waarom Smeets het belachelijk vindt dat er zo moeilijk over werd gedaan, wordt jammer genoeg niet duidelijk uit het NRC-artikel. Misschien bedoelde hij zoiets dat er niet zo gezeurd hoefde te worden over hardwerkende mensen die loon naar werken krijgen. 'Doe toch niet zo moeilijk'. Maar ik doe graag moeilijk. Het wachten is op een onderbouwing waarin Caroline Tensen kan duidelijk maken dat het werk dat zij van publiek geld verricht, belangrijker is dan het werk van een minister-president of andere helden uit het publieke domein, laten we zeggen leraren. Die argumentatie blijft uit. De omroepen legitimeren de hoge salariskosten niet zozeer met argumenten die van maatschappelijke waarde spreken (hetgeen me noodzakelijk lijkt: het gaat immers om publiek geld), maar stellen simpelweg dat het kijkcijferkanonnen zijn. Paul de Leeuw, daar kijken 2 miljoen mensen naar. Dat mag wat kosten. Dat leidt tot de situatie dat de bekostiging van personeel dat met publiek geld wordt betaald, wordt gerechtvaardigd met argumenten die ontleend zijn aan het domein van de private sfeer: de vrije markt waar vraag en aanbod, winst en marktaandeel doorslaggevend zijn. Daar moet je niet moeilijk over doen! Onze werkelijkheidsopvatting stipuleert immers dat kijkcijfers onderdeel uitmaken van de belangrijkste maatschappelijke wet, de wet van winstmaximilisatie. Hoezeer dit de norm is blijkt uit de verassing (en het ongeloof) van een NRC-columnist over een artikel uit het Tijdschrift voor Management en Organisatie waarin captains of industry gevraagd naar hun drijfveren, NIET 'geld, optieplannen en bonussen' opnoemden. De columnist Johan Schaberg wijst terug op andere tijden waarin het wellicht nog vanzelfsprekend was dat het bedrijfsleven nadacht over maatschappelijke verantwoordelijkheid. In de jaren dertig bijvoorbeeld kwamen vooraanstaande Rotterdamse ondernemers samen om te praten over hun maatschappelijke verantwoordelijkheid in de crisis. Maar dat is niet van deze tijd en het eerste vermoeden dat Schaberg uitspreekt is dan ook dat de geinterviewden hypocriet zijn. Het is niet chic om over geld te praten, een houding die de grootverdieners bij de omroep bekend moet voorkomen. De andere optie is dat deze gevierde business boys 'met toegenomen inzicht en rijpheid' begrijpen dat geld niet zo belangrijk is. In omroepland is dat inzicht blijkbaar niet aan de orde. Ik ben niet op de hoogte van grootverdieners die op de buis hun maatschappelijke drijfveren blootlegden en verklaarden daarmom met minder genoegen te nemen. Het wachten is op een persoon die in de oh zo kritische programma's van Pauw en Witteman of Matthijs eens moeilijk gaat doen en de kijkcijferkannonen onder vuur neemt. Als het startschot gegeven is zal niet tot ontmanteling van het publieke stelsel worden overgegaan, maar zullen alleen diegene die maatschappelijk relevante programma's maken voor een maatschappelijk acceptabel salaris overblijven. Die oplossing lijkt me niets om moeilijk over te doen.

Over objectiviteit en subjectiveit in de economie

Filosofie verschijnt bij Adorno als een strenge opvoeding in het juiste denken. Daar ontbreekt het in het denken over de economie aan, zeker als het om de borreltafeleconomie gaat van journalisten en politici en vooral in de opvattingen van de gewone doorsnee mens die aan het woord komt in opinieonderzoeken. Het juiste denken is daarbij niet een of andere hyperabstracte, ondoorgrondelijke toverkunst die louter voor zeer intelligente mensen toegankelijk is. Filosofen mogen geen bedriegers zijn zoals de grootverdieners in de financiƫle wereld die graag de illusie wekken dat ze iets ontzettend ingewikkelds doen, om zo hun hoge inkomen te rechtvaardigen. Het juiste denken is in beginsel altijd simpel. Moeilijk wordt het pas als we consequent willen doordenken.
Een van de denkregels die Adorno keer op keer benadrukt is de waarschuwing niet te vallen voor de verleiding het subjectieve of het objectieve te hypostaseren, tot algemeen principe te maken. Dat dit wel gebeurt laat zich makkelijk aantonen. Dat het subject de vrijheid dient te hebben zelfstandig te denken, dat valt eenvoudig in te zien. De verleiding is echter dit subjectieve denken te hypostaseren tot het algemeen funderend principe. Zie het 'ik denk dus ik ben' van Descartes. Dat het hier om meer gaat dan antieke filosofenovermoed zien we in de verabsolutering van de eigen mening in de vrijheid van meningsuiting. Het subjectieve, zelfstandig denken wordt hier verheven tot een absolute waarde. Omdat het subjectieve tot het algemene wordt, mag het objectieve niet meer binnendringen in het subject dat zijn eigen mening tegen alles in mag behouden. De Holocaust mag derhalve ontkend worden. Deze hypostasering van het subjectieve leidt tot een compleet verloren gaan van het objectieve dat opgeslokt wordt in een oneindige veelheid aan perspectieven. Elk individu is een atoom, of beter: een feodale heer die zich terugtrekt in zijn eigen burcht. Iedere poging een ander zijn mening te corrigeren wordt uitgelegd als een onterechte aanval op de eigen burcht. Omdat het subjectieve het enige is dat telt, kan er geen beroep worden gedaan op een objectieve instantie om de strijd tussen de kasteelheren te beslechten. De willekeur heerst.
Ondanks de heerschappij van het subjectieve in onze eigen mening-maatschappij, duikt een hypostasering van het objectieve ook overal op. Een simpel voorbeeld: de economie wordt vaak als een objectief stelsel van principes gepresenteerd. De wet van vraag en aanbod functioneert gelijk de wet van de zwaartekracht. De onzichtbare hand van Adam Smith bezit een 'Selbstbewegung'. Alle subjectieve voorkeuren bij elkaar worden allemaal tot de orde geroepen door een objectief principe dat tot objectieve uitkomsten komt. Adam Smith noemt de wet van prijsvorming daarmee ook een dictator waartegen de individuele verkoper geen bezwaar tegen kan aantekenen. Het subjectieve verliest hiermee haar invloed. Eenzelfde hypostasering van het objectieve zien we in een uitdrukking als 'marktconform'. De markt bepaalt en daar is niets subjectiefs aan. het objectieve moment is zo tot het algemene principe verheven. De economie gebiedt en het subject heeft zich daar maar aan te passen. Hier eindigt, zo benadrukt Adorno keer op keer, het denken. Als het subject louter de ontvangsthal is waar gegeven feiten en objectieve wetmatigheden zich komen melden dan is het denkende subject veroordeeld tot volledige passiviteit. In de heerschappij van het objectieve komt het denken tot stilstand.
In het juiste denken gaat het erom te waken voor een totalisering van het subjectieve ten kosten van het objectieve (er bestaan alleen maar eigen perspectieven) of het objectieve ten koste van het subjectieve (de wetten van de markt zijn feitelijk het geval en daaraan moeten we ons onderwerpen). Belangrijker dan dat is het vermogen nauwkeurig op te merken hoe het subjectieve en objectieve moment kriskras door elkaar heen worden gebruikt. Zie hier bij uitstek het denken over de economie. Enerzijds verschijnen de wetten van de markt als natuurwetten, onverbiddelijk en universeel en even dwingend als Darwins survival of the fittest. Net als tegen de almachtige God heeft de mens weinig in te brengen tegen de wetten van de markt. Maar zonder enig probleem wordt diezelfde objectieve economie volledig vergeestelijkt als de notie van vertrouwen in het spel komt. Consumentenvertrouwen is oh zo belangrijk. Vertrouwen tussen banken is doorslaggevend. Vertrouwen wordt niet zelden als het leidende principe bestempeld ('het gaat alleen maar om vertrouwen'). Vertrouwen is uiteraard een subjectief moment. Het hele objectieve bouwwerk verschijnt zo opeens als een epifenomeen van de grillen van de psyche die iets op irrationele gronden (of rationele gronden, maar dat onderscheid valt niet of nauwelijks meer te maken) niet meer vertrouwt. Het gaat er in het juiste denken om dit heen en weer schieten tussen het objectieve en subjectieve nauwkeurig vast te leggen.
Maar waartoe eigenlijk deze inspanning tot juist denken als enerzijds de eigen mening het enige is dat telt en anderszijds de objectieve orde van economen, bureaucraten en managers het juiste denken als nuttelloze tijdverspilling bestempelt?

vrijdag 3 juli 2009

Shopping is political. Exchange value and ethical responsibility


The argument goes like this: since the customer is king, the customer is also responsible. Consumer power equals divine right. Nothing else (the state, a company) can interfere with consumer power. The customer can therefore act against child labour, environmental pollution and other forms of un-ethical behaviour by just not buying the products. The principle of exchange value is the only criterium and only judge. Therefore the company that sells 'bad' products is not responsible as long as people buy their stuff. The state is not justified in taking action against bad companies as long as customers just buy the products. This constellation makes shopping in to the most political activity imaginable.

A current example is an ad campagin by the 'Voedingscentrum' (centre for nourishment), a state sponsored institution (Postbus 51). The slogan says: you pay so you determine ('jij betaalt het dus jij bepaalt het'). On internet fora there's quite some discussion on the effectiveness and use of thus campaign. Of course there is the critique in the name of boundless freedom. The state should shut upo and not interfere with the so-called bad habits of the souvereign individual (the divine right theory of teh customer-king). There is the usual critique that the money of the taxpayer should not be spend in this fashion. Another sort of critique argues against the divine right of the customer-king. The individual consumer has no authority, cannot be an agent of change. Therefore the responsability rests in the hands of the state.
One critque offers an excellent examples of a reified consciousness. Reification, a concept developed by Lukacs and very important in Adorno's thinking, seems hard to grasp when put solely in theoretical terms, but it's everywhere around is. To put it simple: the reification of consciousness means that a contingent, historical reality (say feudalism, state bureaucracy, monotheism, the principle of supply and demand, free market, communism) is taken as an objective law. An example: one critic of the campaign that states that the one that pays for the food, has the power to determine how the food is produced, claims that these sort of campaigns are false on the assumption that 'the customer goes for cheap. That is a natural law'. Here we see the concept of supply and demand that certainly has some value but is surely not a natural law (although economist might think this) taken as an objective law that determines the choice of the customer. To be more precise, this reification of consiousness denies a choice since this natural law has to be followd, otherwise it is not a natural law. The reified consciousness leaves therefore no opening for change. The subjective consciousness blocks in its reified state any option to break away from this natural law. The consequence is that there is no individual responsibility left. Curiously enough, the same critic puts the responsibility in the hands of the state. He advises customers to buy cheap meat that is cheap because the treatment of animals is really bad. This should wake up the government to take responsibality and make an ethical choice since the individual is not able to make an ethical choice because of the rule of the natural law of cheapness.
The reflex reaction to this rule of state against the individual shows how reified our consciousness is. The free market philosophy denies the state the right to interfere in the 'free' choice of the individual. Since the individual is ruled by the principle of exchange value (big piles of meat for the least amount of money) we can again see the omnipresence of the exchange principle.

Who's fault is it anyway? On activisme and responsibility

How to understand that Western society values individual criticism and yet lacks any defined forms of political activism? The question is to broad. But let's put it this way. There is some much anger, frustration, critique, hate, disgust, irritation towards the society that exists and yet we feel incompetent to act for change. How does this work? Somehow it seems we have developped our own set of counter measures to dampen our anger. One of these is the notion that everything is so blended, connected and complex that we cannot possible judge an isolated case. The complexity kills focus. A simple example is the frustration we feel when we try to complain to a company or the state (this is the same). In these bureaucracies no-one is responsible and certainly not the one who is answering the phone. We sense that the person that handles the complaint couldnt care less about the company. The anonymous voice is not responsible. The person is just following the rules. It's unclear who or what is responsible for making the rules. The rules are just there. Here is complexity without any hope of unravelling the complex.
Another counter measure is to assure ourselves that this is just the way it IS, the Weltlauf, the way of the world, and there is no sense in being angry at something which is beyond change. This neutralization of anger resembles the way we excuse a cat when he kills a bird. The cat cannot help himself. The same goes for a company: they are obliged to fire people because of market conditions. It's not their fault. It's just the way things work.
A very effective way to cut the link between anger and action is the principle of respect. We are obliged to respect the free opinions of others. This respect immediately turns freedom into unfreedom, since our own opinions are because of this principle only valuable for ourselves. Our opinions and anger becomes solipsistic. Imposing our anger by means of action on others is disrespectful. This mechanism neutralizes any activism beforehand. The same holds true for the democratic principle. Your anger only counts when it adds up with other peoples anger.
In this constellation anger and critique are neutralised by ourselves in order to preserve ourselves. This explains the lack of political activism. It also explains the very fashionable complete denial of society in the respectable focus on 'our own happiness' in this magical world. This succesful denial of the world around us is for sure an example of pure magic.

To do: make lists of instances of anger as a form of resistance. Analyse the neutralisation tactics for anger.

Voetbal, Dubai en hyperkapitalisme

Alienation is partly an effect of human beings being reduced to simple labourpower. The value of a person can be measured in quantitative labour, or more precise: in terms of a certain amount of money. Marx saw this as the essence of bourgeois ideology. The richness of social connections in feudalism, the traditions and privileges, honour and belonging; everything was reduced to a simple calculation: how much money is you labour worth. This hypercapitalism is beyond critique. Michel Platini criticised Real Madrid for the purchase of players. An army of foreigners invades Real to replace other foreigners that were not worth their money and are therefore transferred to other teams. A sum of 200 million is payed for Ronaldo (Portugal), Kaka (Brazilian) and Benzema (France). Platini states that this boundless hyperfreedom (only in soccer the rule of free exchange of persons and goods seems to be realised) destroys equal competition and that he wants to act against this. But Platini confesses- and this utterance proves that money and banks define ethics - that their is nothing to be done against Real since the bank backs their purchases. Therefore: money is real. There is no criterium for judgement beyond exchange value.
Soccer is the domain of pure capitalism. There is no sense of honour or belonging: the players just go where the money leads them. There is a strong sense of a survival of the fittest. The best players go to the best teams with the biggest amounts of money. The best team wins. Interestingly enough, soccer succeeds in pretending the be full of local folklore. A club is connected to a certain culture, city, nation. It defies a sense of transcience and instability. Soccerclubs have a certain immaterial form that stays the same even when the material (the players) change all the time. That soccer is able to maintain this illusion of belonging is telling. People feel really connected to their team and find a sense of local identification and pride in the club despite the fact that 80% of the players are foreigners.
Adorno's claim that the culture of sports embodies the new metaphysics finds its prove in the transference of soccer-laws to society in general. Dubai is a fine example of a society that equals the laws of soccer. The city consists for 82% of foreigners. Nobody really considers Dubai his home, but still they like it over there as long as they make money. Moneymaking ensures their place in the selection of team Dubai. Team Dubai only likes its inhabitants when they work and produce value. If you are out of work and you cannot find new work within a month you are expelled from Dubai. This is the law. There's no place for empathy. A veiled, rich woman, claiming to be very moslim???, said that this was just the way it is: survival of the fittest, right?