Filosofie verschijnt bij Adorno als een strenge opvoeding in het juiste denken. Daar ontbreekt het in het denken over de economie aan, zeker als het om de borreltafeleconomie gaat van journalisten en politici en vooral in de opvattingen van de gewone doorsnee mens die aan het woord komt in opinieonderzoeken. Het juiste denken is daarbij niet een of andere hyperabstracte, ondoorgrondelijke toverkunst die louter voor zeer intelligente mensen toegankelijk is. Filosofen mogen geen bedriegers zijn zoals de grootverdieners in de financiƫle wereld die graag de illusie wekken dat ze iets ontzettend ingewikkelds doen, om zo hun hoge inkomen te rechtvaardigen. Het juiste denken is in beginsel altijd simpel. Moeilijk wordt het pas als we consequent willen doordenken.
Een van de denkregels die Adorno keer op keer benadrukt is de waarschuwing niet te vallen voor de verleiding het subjectieve of het objectieve te hypostaseren, tot algemeen principe te maken. Dat dit wel gebeurt laat zich makkelijk aantonen. Dat het subject de vrijheid dient te hebben zelfstandig te denken, dat valt eenvoudig in te zien. De verleiding is echter dit subjectieve denken te hypostaseren tot het algemeen funderend principe. Zie het 'ik denk dus ik ben' van Descartes. Dat het hier om meer gaat dan antieke filosofenovermoed zien we in de verabsolutering van de eigen mening in de vrijheid van meningsuiting. Het subjectieve, zelfstandig denken wordt hier verheven tot een absolute waarde. Omdat het subjectieve tot het algemene wordt, mag het objectieve niet meer binnendringen in het subject dat zijn eigen mening tegen alles in mag behouden. De Holocaust mag derhalve ontkend worden. Deze hypostasering van het subjectieve leidt tot een compleet verloren gaan van het objectieve dat opgeslokt wordt in een oneindige veelheid aan perspectieven. Elk individu is een atoom, of beter: een feodale heer die zich terugtrekt in zijn eigen burcht. Iedere poging een ander zijn mening te corrigeren wordt uitgelegd als een onterechte aanval op de eigen burcht. Omdat het subjectieve het enige is dat telt, kan er geen beroep worden gedaan op een objectieve instantie om de strijd tussen de kasteelheren te beslechten. De willekeur heerst.
Ondanks de heerschappij van het subjectieve in onze eigen mening-maatschappij, duikt een hypostasering van het objectieve ook overal op. Een simpel voorbeeld: de economie wordt vaak als een objectief stelsel van principes gepresenteerd. De wet van vraag en aanbod functioneert gelijk de wet van de zwaartekracht. De onzichtbare hand van Adam Smith bezit een 'Selbstbewegung'. Alle subjectieve voorkeuren bij elkaar worden allemaal tot de orde geroepen door een objectief principe dat tot objectieve uitkomsten komt. Adam Smith noemt de wet van prijsvorming daarmee ook een dictator waartegen de individuele verkoper geen bezwaar tegen kan aantekenen. Het subjectieve verliest hiermee haar invloed. Eenzelfde hypostasering van het objectieve zien we in een uitdrukking als 'marktconform'. De markt bepaalt en daar is niets subjectiefs aan. het objectieve moment is zo tot het algemene principe verheven. De economie gebiedt en het subject heeft zich daar maar aan te passen. Hier eindigt, zo benadrukt Adorno keer op keer, het denken. Als het subject louter de ontvangsthal is waar gegeven feiten en objectieve wetmatigheden zich komen melden dan is het denkende subject veroordeeld tot volledige passiviteit. In de heerschappij van het objectieve komt het denken tot stilstand.
In het juiste denken gaat het erom te waken voor een totalisering van het subjectieve ten kosten van het objectieve (er bestaan alleen maar eigen perspectieven) of het objectieve ten koste van het subjectieve (de wetten van de markt zijn feitelijk het geval en daaraan moeten we ons onderwerpen). Belangrijker dan dat is het vermogen nauwkeurig op te merken hoe het subjectieve en objectieve moment kriskras door elkaar heen worden gebruikt. Zie hier bij uitstek het denken over de economie. Enerzijds verschijnen de wetten van de markt als natuurwetten, onverbiddelijk en universeel en even dwingend als Darwins survival of the fittest. Net als tegen de almachtige God heeft de mens weinig in te brengen tegen de wetten van de markt. Maar zonder enig probleem wordt diezelfde objectieve economie volledig vergeestelijkt als de notie van vertrouwen in het spel komt. Consumentenvertrouwen is oh zo belangrijk. Vertrouwen tussen banken is doorslaggevend. Vertrouwen wordt niet zelden als het leidende principe bestempeld ('het gaat alleen maar om vertrouwen'). Vertrouwen is uiteraard een subjectief moment. Het hele objectieve bouwwerk verschijnt zo opeens als een epifenomeen van de grillen van de psyche die iets op irrationele gronden (of rationele gronden, maar dat onderscheid valt niet of nauwelijks meer te maken) niet meer vertrouwt. Het gaat er in het juiste denken om dit heen en weer schieten tussen het objectieve en subjectieve nauwkeurig vast te leggen.
Maar waartoe eigenlijk deze inspanning tot juist denken als enerzijds de eigen mening het enige is dat telt en anderszijds de objectieve orde van economen, bureaucraten en managers het juiste denken als nuttelloze tijdverspilling bestempelt?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten